‘Aanvaard. Ik betuig u mijn respect voor uw heer Jo-sua Mocatta van Antwerpen. Wees welkom.’
Gabriël Baëna boog even met het hoofd. Jörg Kern vroeg:
‘Uw opdracht, reisfactoor Gabriël Baëna?’
‘Senhor Josua Mocatta zond mij om Adon Nehemia bar Simeon van Brussel tot Antwerpen te begeleiden.’
‘Bijzonder menslievend van senhor Josua Mocatta, maar onvoorzichtig, senhor Baëna.’
‘Ik ben vergezeld van een escorte, koopman Kern.’
‘Nog onvoorzichtiger, senhor Baëna. U moogt schout en schepenen en de baljuwen niet uitdagen. Noch de bevolking. En vooral niet de grootkanselier. Beseft ulie-den niet dat een Jood groot levensgevaar loopt door zulke eerbetuigingen? En vooral ook de joodse nederzettingen hier in Brabant, Vlaanderen en Henegouwen.’
Gabriël Baëna verborg meesterlijk zijn verbazing achter een stenen masker. Een Duitser die zo sprak, was voor hem een nieuwe ervaring in zijn avontuurlijk leven. Hij puntte zijn kneveltje, hij was nu het Huis Mocatta.
‘Adon Nehemia bar Simeon staat onder bescherming van de Iberische kolonie. Misschien daardoor onder die van de landsheer.’
‘Uw Iberische trots is waardeloos tegenover het volksgevoelen, senhor Baëna. Ik ken deze landen beter dan ulieden. Het spijt mij voor uw vergeefse reis. Adon Nehemia bar Simeon blijft in mijn konvooi en onder mijn hoede tot in Antwerpen. En daar zal hij, als Jood, te voet, met Jodenhoed en Jodenlap, zich onopvallend melden bij uw heer Josua Mocatta. Keer terug en breng mijn woorden over.’
223