‘Ik tracht wat goed te maken, ondanks mijn eigen angsten.’ De Hanze-koopman glimlachte wrang.
‘Ik heb begrepen, Jörg Kern.’
Zij bogen voor elkander. Nehemia bar Simeon gaf in het openbaar een christenkoopman nooit een hand. Dat was te gevaarlijk. Voor beiden.
Ezra Veidt. Klein, mager, grijzend. Met snelzoeken-de ogen, met trillende handen die bijna voortdurend streken langs wangen en baard. Zodra Nehemia bar Simeon was binnengestapt in het pakhuis, sloot hij de zware deur en grendelde. Nog even luisterde hij oplettend. Toen werd hij wat rustiger, begon zelfs te glimlachen. Hij nodigde zijn gast uit de steile trap te bestijgen naar de woonkamer. Daar was Naomi Veidt, fors, dik, donker. Met bijna zwarte rustige ogen, met opmerkelijk sierlijke handen. Zij glimlachte, haar ogen lachten mee. Naomi Veidt was een vrouw vol levensvreugde. Daar waren ook haar kinderen, vier dochters, drie zonen. De jongste twee jaar, de oudste, een zoon, vijftien.
Nehemia monsterde nadenkend de aanwezigen en de ruimte waarin zij leven moesten.
Een kleine, bedompte voorkamer met langs de wanden de bedsteden voor de kinderen. Een lage deur naar een achterkamer. In een hoek, een ladder naar de zolder. Kleine glas-in-lood vensters, weinig daglicht, de huisjes van de overzij vijf of zes el verwijderd. Het verschil met de Duitse woningen was opvallend. Brabants of Vlaams klein, zo was het in deze streken. Slechts hun kerken, raad- en gildehuizen waren ruim.
De tafel was gedekt voor het avondbrood. Een enorm stuk vlees, gekookte eieren, brood en vruchten. Kom-
219