‘Zou er een stuk grond op de wereld zijn waar geen angst heerst? Jörg Kern, wat denkt u?’
‘Misschien in de nieuwe landen waar Columbus is terecht gezeild.’
‘Nauwelijks, Jörg Kern, de Spaanse infanterie is reeds op mars, met alles, monniken, alcaldes, hoeren, wijn, moordzucht en dieverij
‘Zwijg, Nehemia, verstoor mijn wereld niet zo. Wilt u wat eten?’ voegde hij er bezorgd aan toe.
‘Ik heb nog gekookte eieren en gerookt vlees en wat roggebrood. In de volgende stad zal ik wat vruchten kopen.’
‘Zo lang geen vers eten, dat kan niet goed zijn, Nehemia van Keulen.’
‘Wij zijn gehard voor de reis. En thuis eet ik weer vers en goed. De hoofdzaak is dat ik de geboden nakom.’
Jörg Kern boog even. Daarmee toonde hij zijn respect, zei:
‘Ik bewonder ulieden.’
De trein hield stil. Bevelen klonken. Het escorte steeg af. Het konvooi stond voor de poort van Brussel.
Nehemia bar Simeon zou in Brussel wonen bij Ezra Veidt, een Jood uit Metz. Jörg Kern beval een reiscom-mies de oude heer daarheen te begeleiden en een homan ervoor te zorgen dat beiden niet zouden worden lastig gevallen. Bij het afscheid zei hij:
‘Ik blijf acht dagen in Brussel. Voordat het konvooi naar Antwerpen vertrekt, zal ik u laten afhalen. Rust maar goed uit.’
‘Dank u, Jörg Kern. Ik weet nauwelijks waaraan ik uw goede zorgen heb verdiend.’
218