‘Dat weet u wel. Ik mag u bijzonder. Vooral nadat men u, bejaarde man, zo zwaar gefolterd heeft. Er zijn veel joodse kooplieden die ik graag mag/ zei Jörg Kern, een beetje verontwaardigd.
‘Praten wij er verder niet meer over, Jörg Kern. Wij komen er toch niet uit.’
‘Ik geloof wel dat de Kerk veel schuld heeft, Nehemia, en dat een bloedwraak geen vijftien eeuwen kan en mag duren. En uiteindelijk was Jezus Christus één van ulie-den en geen Duitser.’
‘Jörg Kern, ieder land heeft hem omgetoverd tot een man van hun volk en zij zetten hun bloedwraak voort.’
‘U bedoelt?’
‘Dit. Er is een Deense Christus, een Poolse, een Mos-kovitische, een Venetiaanse, een Iberische. Noem maar op. De Christus van Judea zijn zij vergeten. Kijk naar de schilderijen en de beelden. Allemaal Christussen die geen Jood zijn. En ieder van deze pseudo-Christussen hebben zij omhangen met het bloedsprookje.’
‘Laten wij daar niet over praten, Nehemia van Keulen. Het is een gevaarlijk onderwerp, geloof ik.’
‘En de brandstapels zijn heet, Jörg Kern.’
De koopman huiverde, trok zijn reismantel vaster om zich heen.
‘Ja,’ gromde Jörg Kern.
‘Eigenlijk bent u net zomin vrij als een Jood. Ook altijd in angst. Voor machtige schepenen, voor de baljuw, voor de landvorst, voor de plunderende condottieri, Maar vooral.. .voor de mannen van de paus.’
‘En de duivel. En de hel. Met alles wat daarin leeft.’
Jörg Kern tuurde nadenkend over de weg terwijl hij dit zegde.
217