vak en hij wilde proberen zelf een hoeve te pachten. Ja . . . hij hield van mij, ik van hem. Toen vroeg hij mij om te trouwen. Ja ... en ik wilde wel. Het werd bruiloft. De landheer kwam . . . bijna een oude man. Met escorte, want hij was van adel. Een baron. Hij vrat en zoop mee. Ook zijn ban en achterban. En toen, dronken, eiste hij zijn recht. Een oud recht... Ik wilde niet... De mans trokken hun hartsvangers. Zijn volk trok de lange messen. De onzen hadden geen kans. En zij sleepten mij mee naar de burcht. Billekensrecht. En hij nam me. Oh, God ..
‘Prima nocte,’ fluisterde Josua Mocatta.
‘Wat betekent dat?’ fluisterde Geerte huiverend terug.
‘De eerste nacht.’
‘Ja, de eerste nacht. Die voor mijn kerel bestemd was. Ik kwam terug de volgende morgen. Mijn kerel keek door mij heen. Ik was er niet meer. Allemaal keken zij door mij heen. En ik had maar te gaan. Met niets. Zo kwam het. Zo begon het.’
Zij snikte niet meer. Lag bewegingloos te staren naar de stalmuur. Lange tijd. Toen fluisterde zij weer:
‘En jij?’
‘Later. Ik heb een ander soort verdriet dan jij, Geerte.’
Zij keerde haar hoofd naar hem toe, keek hem diep in de ogen. Haar hele gezicht, haar gehele wezen was verdriet. Een geschonden mensenkind.
‘Komhier,’ fluisterde hij.
‘Nee, nee, het was mijn lot. En aan zijn lot ontkomt geen mens.’
Hij richtte zich op, kroop naast haar. Nam haar in zijn armen en kuste haar. Op heur haren, haar voorhoofd, haar ogen. Zij weerde hem niet af.