ta van Antwerpen, neen, ik slaap niet. Misschien omdat er een man in mijn kamer is. Oppassen geblazen.’
Hij begon te lachen, riep:
‘Ben je aan het oefenen?’
‘Waarvoor?’
‘Nu, straks in Parijs. Misschien word je aan het Hof genodigd. Koning Lodewijk XII is een minnaar van vrouwelijk schoon en mooie taal.’
‘Spot maar. Maak een arme opgejaagde meid maar belachelijk. Zo een knappe rijke kerel denkt dat hij alles mag.’
‘Ben je erg boos, Geerte?’
‘Ik ben niet boos en ik word niet boos. Dat plezier zal je niet hebben. Nog even mijn plicht doen tot Antwerpen en dan . . . dag, heer Josua Mocatta van Antwerpen, het ga u wel.’
Er heerste weer lange tijd stilte. Weer hervatte hij het gesprek.
‘Geerte . . .!’
Zij antwoordde niet.
‘Geerte . . .!!’
‘Ik slaap,’ riep zij driftig.
‘Geerte, antwoord mij dan vanuit je droom.’
‘Wat!’
‘Kom even hier naast mij liggen dan behoef je niet zo te schreeuwen,’ zei hij.
‘Nee. Vertel mij eerst waarom je mijn vingertoppen zoende. Is je antwoord goed, dan kom ik,’ antwoordde zij. Haar toon klonk vastbesloten.
‘Ik zoende je vingertoppen omdat je lieve, behulpzame en vlijtige handen hebt. Zij ontroerden mij dikwijls in de afgelopen dagen. Is mijn antwoord goed?’
209