na, nog flink en krachtig voor haar leeftijd. Geerte zei:
‘Wij vragen herberg.’
‘Meid,’ antwoordde de boer, ‘dat kunnen wij niet geven. Wij zijn maar klein behuisd. Gunder, die hebben een grote deel. Vraag daar, mijn kind. Zeg dat ik je heb doorgestuurd, zij zullen het zeker doen.’
‘Wij betalen met goud. Deze man is ziek. Hij kan niet verder. Kijk maar.’
De oude boer keek onderzoekend naar Mocatta’s gezicht, hij zag het.
‘Hij kan ons bed nemen, maar jij zult naast de schouw moeten slapen, meid, net als wij.’
‘Goed,’ besloot Geerte, ‘hoeveel geld?’
‘Meisje,’ zei de boer, ‘van een ziek mens, die herberg zoekt, nemen wij geen geld, nooit niet.’
‘Bedankt dan,’ antwoordde Geerte. Toen tikte zij Mo-catta tegen zijn been, gebood:
‘Eraf. Het is genoeg geweest. Zal ik u helpen?’
Hij schudde neen, met inspanning van al zijn krachten lukte het hem af te stijgen. Geerte steunde hem onder een oksel, langzaam hielp zij hem naar de hoeve. Stuurs keek hij terzij naar haar gezicht, beet op zijn onderlip van moeheid en pijn. Zij kon het opeens niet laten, heer Josua Mocatta van Antwerpen was plots geheel uit haar brein verdwenen. Zij fluisterde boos en lief:
‘Held! Heb je nu je zin? Je behoeft voor mij niet stoer te doen. Wees nu maar ziek, gewoon alledaags ziek.’
Mocatta stond stil, zuchtte diep. Toen, met een vlug gebaar, streelde hij haar wang, pakte haar hand en kuste even de toppen van haar vingers. Zij wilde oprecht niet genieten van haar beginnende overwinning, maar toch glansden haar ogen en een neerrollende traan kon zij
206