‘En dan ... Geerte? ... En dan?’
‘Heel eenvoudig, heer Josua Mocatta van Antwerpen, heel eenvoudig. Ik heb gehoord dat de Fransen regelmatig Lombardije binnenvallen. En bij landsknechten hoort een trein. En in die trein zijn vrouwenwagens. Daarin hoor ik. Totdat er een met een dronken kop mij neersteekt of wurgt. Eenmaal losgeslagen, altijd losgeslagen. Je zegt maar wanneer ik gaan moet.’
Lenig rees zij op, verwijderde zich een paar stappen, keerde zich om en keek hem treurig en wanhopig aan.
Toen trok zij haar rok op tot boven haar knieën, zei:
‘Kijk, dat had één kerel kunnen hebben voor heel zijn leven. Eén kerel. Maar die bestaat niet. Jongens zijn het. Slungels. Ik heb nog nooit een man horen zeggen: “kom hier meid, je bent van mij, voor altijd. En die naar je durft te kijken, steek ik overhoop.” Ga wat slapen, heer Josua Mocatta. Ik breng het eten voor de noen in de stal.’
Ze keerde zich van hem af en liep over de akkers tot waar de knechten maaiden. Roerloos keek hij haar na. En zag haar opeens bukken en garven binden, handig, vlug ... een jonge stevige boerin. Een vrouw was in zi j n leven binnengetrokken - na lange tijd.
Hij zocht de boer. Vond hem in de voorste akker. Maaiend met krachtige slagen, als een homan voor aan zijn troep. Mocatta zei:
‘Ik wil vanmiddag rijden.’
‘Alleen?’ De boer maaide voort. Iedere slag leek een man, die neerstortte.
‘Neen.’
‘Met die vrouw?’ De1 boer wiste het zweet van zijn voorhoofd, krabde onder zijn oksels.
202