kuiten, zodat hij haat welgevormde benen moest zien. Zij keerde haar rug naar hem toe, streek zich langs borsten, taille en heupen.
‘Waarom doe je dat, Geerte?’
‘Omdat ik het lekker vind.’
Hij stond op, ging naast haar staan. Ze reikte met haar kruin tot bijna zijn kneveltje. Hij omvatte haar schouders met zijn linkerarm, dwong met zijn rechterhand haar gezicht opzij. Zij weerstreefde even tot hij zei:
‘Komeens naast mij zitten, meisje.’
Zij zaten naast elkaar, kijkend over het verre land, waar de boer en zijn knechten weer maaiden en bonden tot schoven. Toen zei hij ruw:
‘Ik wil weten wat je in Antwerpen gaat doen.’
‘Wil je dat zo precies weten?’ vroeg zij langzaam uitdagend.
‘K
‘Doorreizen naar Parijs, over Brussel.’
‘Lopend?’
‘Nee. In Brussel zoek ik een koopmanskonvooi. Mijn reis verdien ik met mijn lichaam.’
Hij sprong weer op, was opeens hevig opgewonden, staarde op haar neer, schreeuwde:
‘Geerte!!’
‘Ja, heer Josua Mocatta van Antwerpen. Een gewezen hoer heeft je een beetje verpleegd. Zo maar als mens. Maar mannen zoals jij voelen zich te fijn voor mij. Daar mag ik alleen maar naar kijken. Ik vergeet nu maar weer de tijd dat ik me goed gehouden heb. Dat was tot hier. In deze hoeve. Ik probeer met een rijk koopman naar Parijs te komen.’
201