Hij keerde zich om. In diepe gedachten pakte hij een emmer om water te gaan halen uit de put op het erf. Terug in de stal trok hij zijn wambuis en hemd uit en waste gezicht en armen en borst, droogde zich met een linnen doek die Geerte blijkbaar voor hem had klaargelegd.
Hij voelde zich veel beter. Hij voelde de oude kracht in zich terugkomen. Ondernemingslust, honger. Hij verliet de stal, slenterde over het erf. Bekeek de boerderij. Hoog en spits het dak, naast de deur van de deel in de kruiskozijnen de ronde dikke glas-in-lood-venster-schijven, de houten luiken voor de nacht. Een eindje van de zijkant, de mesthoop met de rondscharrelende kippen. De hofhonden gromden tegen Mocatta, zij lagen aan de ketting. Ongevaarlijk. Een kater sloop, bijna op zijn buik, naar vogels die, waakzaam, deden alsof zij hem niet in de gaten hadden.
Hij wandelde verder. Naar de akkers en de kleine weide met koeien en paarden. Aan de rand stond een groepje bomen zoals bij het huis. Beschut door een bosje eikehout ging hij zitten. Keek en keek over het wijde vlakke land met akkers en akkers. Met boomgroepen en hoeven, daarboven de stralende hemel van de nazomer. Het was herfstmaand.
Herfstmaand anno Domini 1500. Even schrok hij. Volgende maand werd hij eenenveertig jaar.
... Een nieuw decennium zou beginnen. Tien jaar - wat zouden zij brengen? Tien jaar - en nog steeds vrijgezel en geen erkende nakomelingen. Alleen hier en daar een bastaard bij een warmbloedige moeder die haar geheim reeds jarenlang meedroeg in een huwelijk of ongetrouwd zorgde voor haar kinderen. Vreemd, er
198