Josua Mocatta probeerde. Het lukte hem met kleine hapjes een paar lepels pap te eten. Zelfs een plak ham en wat brood. De boer dronk hem toe met een kroes wijn, hij beantwoordde met een korte hoofdbuiging en een slok. De wijn was goed. Rijns. Ook gekocht in Antwerpen na die uitbundige oogst. De boerin, de kinderen en het dienstvolk dronken bier. Wijn! Die praalhans. Dat was alleen voor hem en die gast. Die meid uit de kwade herberg, ook bier. Water was meer dan genoeg voor haar geweest. Onwillekeurig keek de boerin kwaadaardig naar Geerte. Die antwoordde met een stenen masker - maar haar ogen! Ze keek zelfverzekerd, vrolijk, uitdagend . . . Geen wijn voor mij? Goed, boerin, die fijne Portugees is van mij. En die blijft van mij. Je zult ereis zien hoe rijk die Geerte van Arcen wordt. Met iedere dag wijn op tafel. Wijn van heel de wereld. Met één teug dronk Geerte haar kroes leeg. En veegde haar mond af met de mouw van haar jak. ‘Zo doen wij dat, jij ouwe, dikke, Brabander merrie. Verslijt jij je leven maar tussen roggepap en gezouten varkensvlees. Voor mij is het voorbij! Straks, Antwerpen en de rest. Weelde!’ Uitdagend schonk zij nog een kroes bier en zette haar sterke tanden in een homp brood met ui. ‘Zo doen wij dat. Ik ben een sterk jong dier. Ik zal leven. Vuile handen en armoe heb ik genoeg gehad. Nu zou ik hem willen, die Portugees. Nu in mijn armen. Voor jouw boosaardig smoel zou ik hem alles willen geven, zodat je het goed weet dat hij van mij wordt.’ Geerte sloot de ogen in het stenen masker. Zuchtte wellustig, dacht aan het mooie lichaam van Josua Mocatta, aan het knappe uitheemse gezicht en aan het goud in zijn gordeltas. En nam weer bier en brood en ham.
196