‘De mans liggen aan deze kant, de vrouws gunder.’
Josua Mocatta puntte voortdurend zijn kneveltje, trok daarbij nerveus met de mond. Maar het lukte hem om niet te schaterlachen. Geerte van Arcen keek sip, zij had geen ondergoed om zich gezamenlijk uit te kleden.
‘Het zal een eer voor mij zijn, wanneer u nu met mij de avondpap wilt eten, heer.’
‘Hij kan nog niet eten,’ viel Geerte uit.
De boer keek teleurgesteld. Zijn gulle Brabantse gastvrijheid, die plotseling was ontwaakt door zijn angst om de pachtheer, kon hij aan deze vreemdeling niet kwijt. Hij krabde een beetje zenuwachtig zijn nek. Mocatta zag het.
‘Ik wil graag aanzitten en het proberen,’ zei hij. De boer zuchtte opgelucht. Een ander zou hij bruut de rug hebben toegekeerd, maar deze reiziger moest een goede indruk van hem behouden. MoestI Om die vervloekte pachtheer. Wacht maar, ook inde Zuidduitse landen begon reeds de wrok tegen de adel te koken. De uitvreters! Hoe lang nog? Dan zouden de trommelaars rondgaan. Dan zouden de zeis en de rieken en de dorsvlegels ander werk doen. In hun eigen bloed zouden zij verzuipen; het land is van de boer die zwoegt en zweet. Als die verhalen in de herbergen van Antwerpen nu maar waarheid zijn. Als!
Zij zaten aan de grote tafel. De boer breeduit in het midden, zijn vrouw naast hem. Tegenover hem Josua Mocatta. Naast de vrouw de dochters, naast de boer de zoons. Aansluitend de knechten en de meiden. Geerte van Arcen naast de hoofdmeid, tegenover de boerin.
De boer was welvarend en hij toonde dat. Geen tafel-
194