stopte zijn bevuilde kleding in de wastobbe om gedurende de nacht te weken.
De kaars in de koperen melkkuip brandde nog toen het zonlicht door de kleine vensters naar binnen viel. Met schrik ontwaakte Geerte op het stro in haar hoek. Volgens haar natuur drong het besef waar zij was slechts langzaam tot haar door. Toen zij alles weer duidelijk wist, stond zij ineens rechtop. Ze keek wat angstig en onheil verwachtend naar de hoek van Josua Mocatta. Zij zag hem rechtop zitten en rustig naar haar kijken. Hij glimlachte. Ze glimlachte terug. Ze rekte zich behaaglijk, op het wellustige af, steeds naar hem terugkij kend uit de hoeken van haar ogen. Daarna klopte zij het stro van haar rok en haar jak, ontrolde haar kastanjebruine weelde en kamde zich. Josua Mocatta nam alles in zich op. Haar verstelde jak, de verkleurde rok, de versleten sandalen. Al dat zonk in het niet bij haar vreemde charme. Bijna niets aan haar was volgens de afbeeldingen van de Italiaanse schilders. Alles te zamen, de beweeglijkheid van haar gelaatstrekken, haar manier van staan en lopen en buigen, het opslaan van haar ogen, haar wat brutale uitdagende glimlach, het boeide hem even diep als het andere mannen deed.
‘Geerte . .. Je heet toch Geerte?’ vroeg hij twijfelend.
‘Ja. Was je het nu al vergeten?’ zei ze, wrang glimlachend.
‘Neen. Maar het is allemaal zo vreemd. Een mens twijfelt soms aan de werkelijkheid. Denkt dat hij angstig gedroomd heeft. Angstig, afgewisseld door bekoring.’
‘Je praat mooi.. .Ben je een minstreel?’vroeg ze.
‘Neen. Een koopman.’