Aarzelend en uiterst behoedzaam kwam zij naderbij uit de richting Aerschot. Zij dacht, de ruiter was neergestoken en beroofd. Zij wilde snel voorbijvluchten, bang voor bloed, zoals alle vrouwen. Maar zij was ook nieuwsgierig, zoals alle vrouwen, en moest kijken. Moest!!
Zij zag zijn donker haar met het grijs aan de slapen. Zij zag het puntige Spaanse kneveltje, het uitheemse. Zij zag de atletische gestalte daar hulpeloos liggen. En moest blijven. Moest!!
Zij knielde, nog angstig voor de Dood die zij verwachtte in dit mannenlijf. Hij bewoog. De drang om te leven deed hem het hoofd wentelen naar de hemel, naar de zichtbaar wordende sterren aan de eeuwige koepel.
Zij streelde zijn haar, zijn voorhoofd, zijn wangen. Volgde met de wijsvinger van haar rechterhand het kneveltje, de even geopende lippen.
Zij zat op de grond, tilde zijn hoofd op, schuifelde wat naderbij en legde het op haar schoot. Keek en keek en streelde en streelde. Huiverde zo nu en dan. Zij trok haar rugmand naar zich toe, ontvouwde een deken en dekte hem toe. Nam nog een deken en sloeg hem om.
De nacht verstreek, de schemer week, de zon kwam op. Josua Mocatta rilde, zuchtte en sloeg de ogen op.
Twee mensen, die elkanders bestaan nimmer hadden vermoed, zagen elkaar voor het eerst. En glimlachten. Voelden zich warm worden, omdat er op dat ogenblik niets op aarde was dan hun ogen en de Vonk.
‘Wie ben je?’
‘Geerte.’
Hij sloot zijn ogen weer en sliep in als een gelukkig kind.
184