achter zich keek, de billen in regelmatige cadans. Het was goed verzorgd tijdens zijn gevangenschap, eerst door de homan en zijn knechten, daarna door een stalhouder die eerst had getwijfeld. Het dier verwaarlozen, dan zou de prijs veel lager worden. Het dier goed verzorgen, dan zou hij de waarde moeten betalen, maar zijn naam zou weer geroemd worden, de beste paardenkenner van Hasselt. Die man hield van paarden bovendien! Zijn ijdelheid overwon. Mocatta’s paard kreeg wat het nodig had. Het speet hem dat de schout het hem niet meer had kunnen verkopen.
... Braaf dier, breng je vermoeide meester naar huis. Kalm aan, jongen, ik ben zo moe. Waarvan toch? Die foltering kon ik wel verdragen. Die paternoster knelde ontzettend, daarvan hield ik zware hoofdpijn. Dat koude water op het hart en in de oksels, och, ik heb een krachtig lichaam. Dat ben ik nu bijna vergeten. Maar die kruiken, die vuile urine, dat. . . dat... ik kan al dagenlang bijna niet meer eten. Ik word misselijk ... ik ... ik .. . Halt, beest, halt... daar is de grond. .. het wordt zwart... vaarwel, moeder Genendel... Vaarwel, Leven . ..
Hij had nog de kracht zijn paard langs de wegkant te mennen, voordat hij neerstortte. Het dier bleef bij hem, het hoofd omlaag, doodstil, treurig. Zo nu en dan beknabbelde het zijn bit en krabde met een voorhoef de grond.
En zo vond Geerte van Arcen man en paard. Tegen de schemer.
183