zag de inquisiteur in zijn stoel, de ogen gesloten, de lippen trilden. Mocatta bemerkte dat een gevoel van vrede in hem opkwam.
‘U noch ulieden van het Heilig Officie van de Inquisitie zullen mij doden, eerwaarde. Zoeven kwam God tussenbeide, tussen uw Kerk en mij. ’
‘Ja,’ antwoordde de monnik op schorre toon. ‘Er zal u geen leed meer geschieden. En zeg mij dan nu de beschuldigende woorden waarvoor u zoeven aarzelde. Uw aanklacht tegen ons, christenen.’
Josua Mocatta probeerde zich op te richten en viel vermoeid terug. Zijn handen krampten zich om de rand van de pijnbank.
‘Wilt u zitten?’ vroeg de monnik vriendelijk. Hij stond op om haastig het kussen van de schepenstoel te pakken.
‘Laat maar, eerwaarde.’
Maar de monnik schoof toch behoedzaam het kussen onder Mocatta’s hoofd. Hij glimlachte de gemartelde toe, zei:
‘Wij zijn niet zo slecht.’
‘U niet, duizenden niet. Maar, wee ons, wanneer u in groepen komt. Samen moedig. Samen vergiftigd van geest. Vergif, dat u reeds moest indrinken als koorknaap. Vergif, dat u vergezelde op uw lange tocht door uw seminaria. Het sprookje dat de Joden Jehoshua van Naza-reth hebben vermoord, dat een heel volk daaraan schuldig zou zijn. Een heel volk terwijl slechts een tiental mannen verblind waren en de Romeinse bezetter niet tussenbeide kwam. Waarom eerwaarde? Het kwam op dat tijdstip in hun politiek niet te pas. De waarheid zullen wij nooit weten, de archieven gingen verloren na de val van het Romeinse Rijk. En verder, eerwaarde monnik, een