op zijn verzoek. Op zijn verkapt bevel aan schout en schepenen.
Er ging een rilling door Mocatta’s lichaam. De handen werden vuisten. De benen trok hij langzaam op. Het besef, niet meer gebonden te zijn, ontwaakte. Zijn ogen kregen weer glans. Pijnlijk en moeizaam wentelde hij opzij, zijn hoofd, met de ogen nu weer gesloten, kwam over de rand, weer rilde hij, het instinct tot zelfbehoud werkte plotseling. Met krachtige stoten golfde het water uit zijn mond. Nu hield de monnik zijn ogen gesloten, zijn kaken klemde hij opeen, aan zijn slapen klopte een ader.
Mocatta wentelde terug. Hij hijgde. De monnik opende de ogen. Bedachtzaam knikte hij. Zijn sonore stem begon:
‘Eindelijk. Uw geheim is geopenbaard. Uw bekentenis ligt vast in het confessieboek. Voor eeuwig.’
‘Uw laatste woord is hier niet op zijn plaats,’ fluisterde Mocatta.
‘Verklaar dat,’ beval de inquisiteur. De flits van mildheid, die hem even had beroerd, was voorbij.
‘Eeuwig is het voorrecht van God de Almachtige. Waar zal uw confessieboek zijn over honderd jaar, over vijf eeuwen? Waar zal dan mijn bekentenis zijn, eerwaarde monnik?’
Bruusk verschoof de inquisiteur zijn stoel naar achteren. Boosaardig keek hij neer op de gemartelde.
‘Blijkbaar nog niet genoeg geweest. De verhitte tangen heb ik u bespaard. Morgen zullen die hun werk doen.’
‘Wat u ook zult doen, het zij zo. Het is beter te sterven dan te moeten leven onder u en de exegese van de woorden van Jehoshua van Nazareth, welke ulieden zich veroorloofd hebt, eerwaarde.’
172