‘Ik dacht. .. nog één kruik, misschien volgt er nog meer, eerwaarde.’
‘U bent ondergeschikt, niet zelfstandig. Denk daaraan, binnenmeester; een verscherpt verhoor door het Heilig Officie van de Inquisitie staat onder de jurisdictie van de Kerk, begrepen?’
‘Ik dacht dat de president-schepen dit verhoor leidde, zoals altijd, eerwaarde.’
‘Vergeet mijn woorden niet. Ga nu, het is noen.’
Detortuurmeestergaf een wenk, zijn knechten volgden hem.
In de folterkamer bleef de monnik. En Josua Mocatta, de Marrano, de gemartelde.
Hij lag bewegingloos op de smalle pijnbank. De ogen gesloten, de mond open, de stoppelige wangen ingevallen.
Zweet parelde op zijn voorhoofd, een straaltje liep langs zijn wangen in de hals. Zijn bovenlichaam was ontbloot. De enorm gezwollen buik had het boord van zijn hozen gescheurd. Zijn beharing en schaamte waren zichtbaar. De inquisiteur stond op. Drentelde in wijde bogen in de pijnkamer, drentelde voort en voort in steeds nauwere kringen, de ogen gericht op zijn slachtoffer. Toen bleef hij staan. Vlak bij de bank. Keek en keek.
Hij verwijderde zich weer, sleepte zijn zware hoog-leunige kloosterstoel tot vlak bij de pijnbank, nam plaats. En wachtte.
Moeizaam sloeg Josua Mocatta de ogen op. De uitdrukking was flets. De monnik herinnerde zich de flonkerende tinteling van de eerste dag toen Mocatta werd ingesloten