En nog een. En een kruik pekelwater. En een kruik olie. En een kruik paarde-urine.
De president-schepen stelde weer de vraag.
Stilte.
Toen fluisterde Mocatta, het gezicht als een dode:
‘Ja ... ik beken ... tot een volk ... te behoren dat... deze mensonteringen niet kent... Ik ben... een Jood. En ik ... ben er ... trots op geen ... schavuit te zijn.. . zoals ulieden.’
De monnik riep gesmoord:
‘Binnenmeesterl’
Bijzonder langzaam dwaalden de blikken van de tor-tuurmeester door het gewelf. Hij telde zijn gereedschappen.
Martelen was niet alleen zijn dagelijks brood, het was meer. Het was zijn Ik, zijn leven, zijn ziel. Nog even wachtte hij. Die ene kruik water nog in de buik van die Portugees. Toen:
‘Genoeg! Bind hem los.’
De president-schepen stond op. De schrijver sloeg het confessieboek dicht, reinigde de ganzeveer. Bedachtzaam, zoals een waardein van het goudsmidsgilde zijn jaarlijks werkstuk voor het meestertoernooi De president-schepen knikte opgewekt naar de inquisiteur. Beheerst schreed hij naar de uitgang. En hij dacht aan de forse maaltijd, zijn vrouw en de kinderen thuis. Zoals altijd verwachtte zij zijn eetlust en zijn waardigheid. President-schepen van Hasselt.
De monnik bleef. Onderzoekend keek hij naar de tor-tuurmeester. Hij vroeg:
‘Waarom hebt u niet onmiddellijk mijn bevel om te eindigen opgevolgd, binnenmeester?’