man voelde tegen jonge kerels die het waagden naar de meisjes van zijn dorp te kijken. Toen had hij ook menigmaal zijn hartsvanger uitdagend in het tafelblad geworpen. Bekkesnijder. In zijn hart was hij dat gebleven. Een Jood? Een Moor? Het was vreemd. Basta. Weg ermee. Het verhoor ging over in de aanklacht.
‘U wordt ervan verdacht heimelijk het joodse geloof te belijden. U hebt in Keulen een Jood als factoor aangesteld. U hebt de Joden op de Messe bevoordeeld. U gaat nooit naar de mis. Niemand heeft u ooit uw kerkelijke plichten zien waarnemen.’
‘Bewijzen/ beet Mocatta hem toe.
‘Dat zal ik. Voor de schepenenbank. Uw factoor, de Jood Nehemia bar Simeon van Keulen, heeft bekend dat u in dat joodse zolderkerkje in Keulen bent geweest. Dat u Hebreeuws verstaat en spreekt.’
‘Zeker door foltering bekend. Bekend wat zij daar als antwoord wensten, mijnheer de schout.’
‘Na verscherpt verhoor bekend, inderdaad. En dan is er de getuigenis van een bode die u bedrogen hebt. Hij wil zweren dat u een Jood bent.’
‘Spreekt deze bode over vier lege geldkisten? En hij wil iets zweren waarvan hij niets weet?’
‘Ja. De man staat goed bekend. Uw antwoord.’
‘Dat ik hem nu niet meer sparen zal, nu gebleken is dat deze baron de geestesgesteldheid heeft van een teleurgestelde struikrover. Tussen Maastricht en hier heeft deze edelman mij overvallen. Zij waren met vieren. Zij persten mij een machtiging af, gelukkig waren de kisten leeg. Het geld wilden zij gebruiken voor het Gelders verzet tegen hertog Fhilips, onze landheer. Dit is nu uw goed aangeschreven bodel’
166