‘UitDiest.’
‘Ken je Antwerpen?’
‘Nee.’
‘Durf je voor mij naar Antwerpen te gaan, een boodschap brengen?’
‘Nee, koopman. Hoe zou ik er moeten komen. Alleen met een koopmanskonvooi? Dan kan ik mij beter hier in Hasselt laten verkrachten.’ Haar fluisteren was heftig geworden, zij sprak bijna.
‘Vergeef me, meisje, ik dacht zover niet. Ken je een betrouwbaar iemand? Ik betaal met goud.’
Stilte. Lang. Zij dacht na. Toen zocht haar adem weer zijn hals, zijn wang, zijn oor. En haar handen omvatten zijn sterke bovenarmen. Hij merkte dat zij licht maar innig kneep.
‘Luister, koopman. Mijn kerel zal gaan. Hij wil hier weg uit die dooie stad. Hij wil een tijdje naar zee. Daarna trouwen wij.’
‘Ik begrijp je niet, meisje. Daarnet stel je mij iets voor terwijl je een bruid bent.’ Mocatta’s stem was iets harder geworden.
‘Heeft er niets mee te maken: wanneer hij straks hier weg is, pakt hij toch wat hij krijgen kan. Kerels? Poeh! Als zij een meter van je weg zijn is het al mis. En als u het wilt, nou .. .dan ben ik hem lekker vóór.’
‘Ik wil niets, geloof me. - Hoeveel zal hij rekenen, denk
ie?’
‘Hij rekent niet. Ik reken. En ontvang. En hij krijgt wel wat van mij. Kerels? Nou, zo gewonnen, zo geronnen,’zei ze bits.
‘Kom straks op mijn kamer, dan zal ik je een briefje meegeven en het bodeloon betalen.’
163