andschap. Achter de waard, bijna tegen de muur gedrukt door diens zware lichaam, keek ook de maerte. Een wisseling van angst, teleurstelling, verlangen en treurigheid in haar ogen.
Op de donkere gang tussen de kamers trad plotseling een kleine gedaante uit de nis. Drukte zich tegen hem aan. Een vrouwenstem fluisterde:
‘Zij kan niet komen. De waard loert en draait om haar heen. Vannacht moet ze bij hem slapen en iedere nacht, zolang u hier zult zijn.’
Mocatta antwoordde niet, streelde het meisje met beide handen langs de wangen. Zij fluisterde weer:
‘Ze zei dat ik u alles geven mocht als u dat wilde.’
‘Ik wil niets,’ antwoordde Mocatta.
‘Het mag best. Ik wil het graag voor u doen.’
‘Ik wil niets, 'herhaalde Mocatta.
‘Goed, koopman. En dan nog dit moest ik u zeggen. Pas op. Rijd morgen zo vroeg mogelijk verder.’
Hij boog zich voorover, fluisterde nu in haar oor. Het kriebelde. Even giechelde ze iets te luid.
‘Wat is er gebeurd, meisje?’
Haar frisse lippen beroerden zijn hals, zijn wang, zijn oor. Haar warme adem droeg de woorden:
‘U was al eens hier in de herberg. Drie dagen later kwamen de schout en de baljuw van de dorpen. Zij zochten u. Een man van Gelre had u aangeklaagd. Waarom, weet ik niet. Maar u moet weg, de stad uit, zegt de maerte. Zij is er ziek van.’
‘Kind, kan ik vannacht de poort nog uit?’
‘Nee, nee, de waard heeft geld gekregen van de baljuw. Ik weet zeker dat hij wakker blijft vannacht.’
‘Waar kom je vandaan?’