mag daarvoor worden gebruikt. Ik wil door jouw dwaasheden niet tot de bedelstaf worden gebracht. Je kent toch de lijfspreuk van je vader zaliger? Het Huis Mocatta moet blij ven bestaan.’
‘Zo God wil, moeder.’
‘Ja, zo God wil. Maar men zal God niet verzoeken, mijn jongen.’
‘Ik zal het bedrag nemen uit mijn vermogen, moeder, maar ik vraag u achter mij te staan. Morgen rijd ik terug naar Keulen. Gabriël Baëna zal mij volgen met een escorte. Wanneer ik in Keulen ook zal worden gevangengenomen, moet hij mij loskopen en dan reken ik op u, op uw vermogen.’
‘Waarom al die moeilijkheden zoeken? Blijf. Iedere dag vallen er slachtoffers. Je kunt niet alle Joden gaan verdedigen met je verschijning en je geld.’
‘Nehemia bar Simeon is mijn factoor. Ik behoor achter hem te staan. Het raakt mijn eer, moeder.’
‘Dwaasheid. Wat blijft er over van je eer wanneer zij jou ook grijpen en martelen? Wanneer je dan bekent Jood in je hart te zijn, word je vanaf dat moment een invalide jiddische scharrelaar, ie blij mag zijn dat het laagste gespuis hem nog het leven laat. Je bent dwaas, je bezit onwaardig. Je herinnering aan Gracia Nunez een lugubere gtap. Blijf. Niemand zal je dankbaar zijn.’
‘Zij opende de bedgordijnen. Hij zag haar schim zitten, geleund tegen de kussens. In de donkere oogholten speelde het kaarslicht zijn spel van vonken en schaduwen.
‘Moeder, er bestaat in het leven meer dan liefde, geld en familie. Er bestaan ook geweten, fatsoen en eer. Die heb ik meegekregen van de Mocatta’s. Wanneer ik Nehemia
156