lijk precies twee maanden na ons gesprek voor dit doel naar Antwerpen moest komen.’
Josua Mocatta knikte en glimlachte droevig.’s Avonds, na het avondbrood, vroeg Josua Mocatta aan moeder Genendel of hij haar kon spreken. Genendel ontving hem in haar slaapkamer. Zij lag reeds te bed. De gordijnen had zij bijna dichtgeschoven. Hij nam plaats bij de lege schouw. Terzij van het bed brandde een kaars in een koperen bekken, zoals een keur het gebood. Het licht wierp de donkere en matte schaduwen van Mocatta op de muren. Zij nam het woord.
‘Waarom wil je mij op zo’n geheimzinnige manier spreken, Jehoshua? Kan je dat niet morgen doen? In de tuin? In de zon?’
‘Neen, moeder.’
‘Je deed in de afgelopen maanden veel vreemde dingen. Zonder escorte van Maastricht naar huis. De ho-man over Holland met al het baar geld en de wissels. Al je koopwaar in Leipzig verkocht en niets Ingekocht. Een factoor in Keulen. Wat betekent dit allemaal?’ Haar stem klonk bezorgd.
‘Moeder, het betreft onze factoor in Keulen.’
‘Jóuw factoor, Jehoshua!’
‘Goed, de mijne. Dat maakt het mij gemakkelijker, moeder. Mijn factoor Nehemia bar Simeon is gevangengenomen en gefolterd.’
Zij antwoordde niet onmiddellijk. Toen:
‘Je behoeft me niets meer te verklaren. Je volgende dwaasheid zal zijn erheen te rijden en hem los te kopen.’
‘Ja, moeder.’
‘Denk er goed aan, Jehoshua, niets van mijn aandeel