een kleurig schilderij of een marmeren beeld. Ook geen muziek, geen luit. Een beetje liturgie van de gazzan, meer niet. Joden hebben niet veel.’
‘Wij hebben genoeg, Don Josua, meer dan genoeg. Alles zit in ons hart en in ons hoofd. En denk hieraan, Je-hoshua bar Ido, Exodus 20 vers 4: Gij zult geen gesneden beelden noch enige gelijkenis maken van hetgeen dat boven in de hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is.’
‘En toch, Reb Jehoeda, ik twijfel. Ik was in Milaan, in Florence, in Napels - wat een schoonheid. Schilderijen en beeldhouwwerken, waarvan een mens stil wordt, ontroerd. Zangkoren die het hart doen trillen. Was Mozes niette streng?’
‘Ach, Jehoshua, wat zal ik antwoorden? Ik ontmoette eens een monnik, een menselijke monnik en die zei eerst hetzelfde. Hij vroeg: Kent u de geschiedenis van Sparta? Nee, die kende ik niet. Toen lichtte hij de sluier op en ik kon opeens antwoorden: Ik begrijp Mozes, de man Gods, nu veel beter. Strenge wetten, een gehard volk. En een gehard volk? Het zal de eeuwen trotseren en niet ondergaan in weelde.’
Jehoeda bar Gershom stond plotseling op, drentelde onrustig door de bibliotheek. Want opeens had hij spijt gekregen van zijn woorden tegen Genendel, zijn spot over Mozes en het Gouden Kalf, zijn plezier om Loys de Negro te zijn, een christen. Driftig zette hij zijn hoed op. Hij wilde niet langer blootshoofds voor God staan. Hij voelde onder zijn hemd, miste de arbang-kanfous, hij tastte snel aan zijn slapen en miste de pijes. Josua Mocat-ta beschouwde nauwkeurig zijn opgewonden doen, zag