denvrienden of gaat het om de winst?’ vroeg hij, nadruk-kelijk op de boekbanden tikkend.
‘Reb Jehoeda, het is de winst. Wij betalen veel voor boeken. Bovendien, u kent dat wel, wanneer zij krap zitten voor de aanschaf van een nieuwe pers of papier, of zij hebben te kort voor de lonen voor hun gezellen, kunnen zij altijd rekenen op leningen. Die worden meestal nooit terugbetaald, maar ja, wij krijgen boeken. En dat is de hoofdzaak. Laten wij gaan zitten.’
Zij namen plaats. In zware kloosterstoelen, aan de zwaar eiken kloostertafel. Jehoeda bar Gershom keek langzaam en onderzoekend rond, de ellebogen gesteund op de leuningen, de vingertoppen van beide handen tegen elkaar.
‘Het lijkt hier op de übrarie van een klooster,’ zei hij
hoofdkii ikkend.
‘Bent u daar dan wel eens geweest, Reb Jehoeda?’
‘Soms. Al leven zij nog zo sober, zij zitten wel eens krap. Net als die boekdrukkers. En dan - tja - dan moet die Jood komen om geld te lenen. En die Jood doet dat dan. Tegen onderpand van de nieuwe oogst of, tja, soms bieden zij een monstrans of een crucifix aan als onderpand. Doodsbenauwd. Maar die neem ik niet. Dat is tegen mijn gevoel. Verbeeld je! wanneer wij, Joden, de zilveren torens van een thora zouden belenen of een me-nouroh. En bovendien, dat is vragen om moeilijkheden en de brandstapel. Nee, mesjogge zijn we gelukkig nog niet.’
Vergenoegd streek hij over zijn baard, vervolgde:
‘Ik ben blij met die boeken om mij heen.’
‘Reb Jehoeda, vindt u het niet merkwaardig dat wij alleen maar boeken hebben? Altijd zwart-en-wit, nooit
150