‘Nah, je zal gelijk hebben, nah,’ mopperde Jehoeda weer teleurgesteld. Genendel ging voort met plagen.
‘Reb Jehoeda, zet je hoed op. Moet God kwaad worden? Al die tijd sta je blootshoofds.’
Geprikkeld zette Jehoeda bar Gershom zijn hoed op.
‘Reb Jehoeda, hij moet een tikkeltje scheef staan. Zo lijk je op een Bourgondiër uit de tijd van Fhilips de Goede.’
‘Ik laat hem zo staan, Genendel. Vandaag of morgen krijg ik wel een patsj van een goi en zal je es zien hoe scheef die staat. En, weet jij, Genendel, of een scheve hoed past bij pijes?’ Hij bleef koppig.
‘Gottegot, je slaaplokken zijn ook al afgeknipt! Hoe durf je?!’ Zij was werkelijk ontdaan.
‘Genendel, geen arbang-kanfous, dan ook geen pijes. En zonder die ben ik tóch een Jood gebleven. Tot in mijn nagels.’
‘Nu heb jij gelijk,’ zei ze opgelucht. Zij kwam naar hem toe, zette kordaat zijn hoed scheef.
‘Zo!,’zei ze.
Toen bevoelde zij zijn wambuis, zijn pofmouwen, keek naar zijn hozen en schoenen. Hij volgde haar blik, zei olijk:
‘Van mijn hozen blijf je af, Genendel!’
‘Heb ik geen andere zorgen?’ riep ze boos, maar haar ogen lachten. ‘Hoe durf je. Een oude vrouw.’
‘Als ik zeg “oude vrouw” word je nog kwader, Genendel.’
‘Probeer het,’ tartte ze, ‘misschien ja word ik weer achttien.’
Toen begonnen beiden onbedaarlijk te lachen. Jehoeda bar Gershom zei, toen hij zijn ogen had afgewist:
148