‘Senhora Mocatta, mijn respect.’
‘Senhor de Negro, welkom in dit nederig huis, beschouw het als uw eigendom.’
‘Senhora Mocatta, hoe zou ik zelfs maar durven denken u en uw zoon, Don Josua, te kunnen vervangen. Ik wil niet meer zijn dan uw bescheiden nederige gast.’
Senhora Mocatta boog. Loys de Negro dankte weer door een zwierige zwaai met de hoed. De struisveer veegde over de plavuizen.
‘Senhor, mag ik u voorgaan en uw vertrekken tonen?’
‘Het spijt mij u zoveel last te bezorgen, Senhora.’
Zij schreden bijna als vorsten de brede trappen op naar een grote zitkamer aan de straatzijde. Een huismeisje opende snel de vleugeldeuren voor hen en sloot weer even snel, toen Genendel Mocatta haar beduidde hen alleen te laten. Toen zei zij hartgrondig in het Jiddisch:
‘Nah, Reb Jehoeda, wat zie je er prachtig uit. Heb je lang geoefend? En heb je je arbang-kanfous niet vergeten onder al die goïsche overdaad?’
‘Opzettelijk vergeten, Genendel. Als ze me grijpen met een arbang-kanfous, vier ik chanoekoh op de brandstapel. Heb ik geen menouroh nodig.’
‘Hou op,’ riep Genendel huiverend, ‘versjteer je zelf en dat prachtige wambuis niet. Maar toch ... hoe durf je zonder bescherming, zonder arbang-kanfous?’
‘Ach, Genendel, als God me beschermen wil, doet Hij dat zonder arbang-kanfous ook. Weet je, Genendel, het liefst zag Hij ons naakt. Toen, in het Paradijs, zodra Hij met die schorten begon, was het mis. Totaal mis. Bijzondere bomen, de slang, Adam en zijn rib, de rust van Hagodaush-baroech-hoe was opeens verdwenen. Hij heeft beslist spijt van de dag dat Hij ons schiep.’
146