Antwerpen.
Stiefmoeder Genendel.
Het machtige huis.
De volle pakhuizen.
De schrijfkamer.
De klerken.
De knechten.
En Gabriël Baëna.
Acht dagen na Mocatta’s terugkeer kwam, vroeg in de morgen, Jehoeda bar Gershom. Hij verscheen als Loys de Negro. Zo had hij het in Keulen gezegd. Genendel verwelkomde hem. De major domus en twee huismeisjes stonden achter haar. Zij droeg Spaanse kleding. Bijzonder verheugd was zij met de zwarte mantilla waarmede zij handig een deel van haar gezicht kon verbergen. Maar met haar ogen had zij grote moeite. Zij vonkten van pret. Ook Loys de Negro kon zijn gezicht nauwelijks beheersen om zijn eigen verschijning. Geen jodenhoed, geen jodenlap. Geen lange kaftan, geen zware schachtlaarzen, geen schichtige, een beetje gebogen manier van lopen. Zijn wambuis van rood fluweel was rijk met bloemmotieven geborduurd. De gelede pofmouwen waren geel. Hij droeg hozen en schoenen met bolle, opengewerkte neuzen. Onder zijn rechterknie was een rode band om zijn been gestrikt. Rond zijn middel een smalle lederen gordel met daaraan een kleine geldtas en een dolk in bewerkt lederen schede. En op zijn hoofd een zwierige vilt-hoed met kanteelrand en struisveer. Zijn baard was vierkant en kort geknipt zoals bij de Duitse landsknechten. Zijn kleine brede figuur was veranderd in een kleine stevige modieus geklede Iberiër.
145