geloof is in uw hart en het is oud. Maat... het leidt naar de brandstapel. Laten wij zaken doen. Wij zullen u en de uwen niet verraden. Wij zullen u zelfs zoveel mogelijk verdedigen, mits u en de andere Iberische kooplieden zorgen voor een regelmatige geldstroom. Ons verzet verslindt geld.’
U hebt de overdracht van de vier geldkisten geëist, bode. Zij zijn voor u. Maar wij moeten het thans volkomen eens zijn, dat u niet méér vroeg dan deze kisten.’
‘De bode antwoordde niet onmiddellifk. Paardehoeven krabden ongeduldig de zandige grond. Een paard snoof, een ander danste wat, de ruiter trok zacht de teugels aan, het dier beknabbelde het bit. Toen antwoordde de bode:
‘Dat zijn wij eens, senhor. Later komen wij om meer. In Antwerpen.’
‘Pas op voor de baljuw en de schout, bode.’
‘U zult ons niet verraden. Verraad betekent bloed. Dat van één uwer. Wij kennen alle antecedenten van de Iberische kolonie in Antwerpen.’
‘U dobbelt, bode. U weet niets. Nogmaals: pas op voor de baljuw.’
‘Teken nu, senhor.’
‘Neen. Dan zou ik mijn doodvonnis tekenen. Want zodra mijn naam en mijn handelsmerk gezet zijn, zal één van uw mannen mij doorsteken.’
‘Noblesse oblige,’ antwoordde de bode.
‘Toon het,’ beet Mocatta hem toe.
De wapenknechten wendden hun paard, de bode had een teken gegeven. Zij reden tot achter de koopman. De bode reed op. Hij stond nu vóór Mocatta. En hij zag het gezicht van de bode in een geopend vizier. En hij zag hem in wapenrusting. Het wapen van het geslacht op zijn
143