‘Uw vief geldkisten in Maastricht. Wij weten waar zij zijn opgeslagen.’
‘Ik bezit geen sleutels meer, bode.’
‘Dat betekent niets, senhor. Er zijn in Maastricht mees-tersmeden. Slechts uw handtekening en wij verzorgen verder alles.’
‘Heb ik daarna rust?’
‘Dat zal afhangen van de houding van de geëerbiedigde hertog Fhilips, die wij noemen de Schone, hoewel wij niet weten waarom.’
Mocatta moest glimlachen. Zijn zenuwen begaven het even en hij moest schaterlachen. Achter hem klonk vergenoegd gegrinnik.
‘Bode, luister goed naar mij. Ik heb met uw politiek niets te maken, ik ben koopman.’
‘Senhor, vier geldkisten zullen nog niet genoeg zijn. Uw vermogen zal nauwelijks voldoende zijn om onze behoeften te dekken.’
‘Ik wens nu uw gezicht te zien, bode,’beval Mocatta op beheerste toon.
‘Dat wil ik u niet tonen, senhor. Ik doe iets tegen mijn eer. Daarom verkies ik het duister.’
‘Het spijt mij uw leven te hebben gespaard, bode.’
‘Het spijt u niet. U en uw geloofsgenotenzijnniet bloeddorstig, senhor Mocatta.’
‘Wat bedoelt u met deze vreemde opmerking?’ Mocat-ta’s gezicht werd als een stenen masker. Hij vatte al zijn krachten te zamen om niets van schrik of opwinding te tonen.
De stem van de bode verloor haar autoriteit, toen hij bijna vriendelijk antwoordde:
‘U, Marranos. Uw officieel geloof is het uwe niet. Uw
142