Hij stond bij de schouw. En glimlachte om haar zorgvuldig gewassen gezichtje, de versgesteven hoofddoek, de rode rok met strakke plooien en vooral het gewaagd laaggesneden zwartfluwelen keurslijfje. Zij had zich ingesnoerd zodat het hem toescheen, alsof haar borsten werden aangeboden als een bijzondere inheemse schotel. Zij werd er verlegen van. Dat stille glimlachje maakte haar onzeker, zij was gewend aan de rechtuit-boerse complimenten van de Brabanders, die spraken van uiers en haar vergeleken met een prijskoe en die haar, na een beetje veel drank, goedmoedig op de billen sloegen. Zij vroeg bezorgd:
‘U vertrekt morgen? Is uw escorte er al?’
‘Ik reis morgen. Zonder escorte. Zoals ik gekomen ben.’
‘Het gaat mij niets aan, maar waarom reist u zonder escorte? De wegen krioelen van gespuis. Waarom speelt u met uw leven?’
‘Maerte, ik weet niet waarom ik zonder escorte wilde rijden. Een mens heeft soms opeens vreemde opwellingen.’
Zij sloeg een kruis, keek angstig in zijn donkere ogen en bliksemsnel nog even naar al datgene in zijn gezicht dat haar hartje in vlam had gezet.
‘Waarom sloeg je een kruis, maerte?’ vroeg hij ironisch.
‘Nou, ik vind het zo eng dat u alleen reist en u niet eens weet waarom u dat doet. Er gebeurt vast iets.’
‘Voel je dat zo, maerte?’
‘Ja ... echt eng. De duivel is een rakker.’ Zij zei het op besliste toon.
‘Moet het nu altijd de duivel zijn?’ vroeg hij vrolijk.
Zij keek naar de grond, verschoof wat aan de insnit van haar keurslijfje, alsof zij haar borsten wat meer wilde
138