hebben mogen meebrassen. Gebonden leven in de stenen woestenij van Hasselt met nog jaren zuinig sparen voor de boeg om eens te kunnen vluchten. En dan? Oud, en misschien een huisje bij de begijnen?
Hij glimlachte. Had hij haar gedachten geraden? Was al haar verlangen op haar gezicht te lezen geweest? Zij bloosde zo diep, dat haar gezicht te rood werd. Nu zou hij haar zeker niet willen en wegsnauwen. En het wonder geschiedde.
‘Kom,’ zei hij. Het laken sloeg hij op.
En zij vergat al haar uitzichtloze jaren in zijn korte, heftige passie. En hij vergat jaren van vrees voor de Inquisitie door haar intense, boerse ongecompliceerde vrouwe-, lijkheid en de zachtheid van haar huid.
Toen zij opstond, kende zij haar waarde door de liefkozende woorden die hij in haar oor gefluisterd had.
Een man en een vrouw, de natuur had overwonnen.
De maerte liet onmiddellijk de barbier roepen. Hij kwam zo vlug dat de klant die aan de beurt was, met ingezeept gezicht moest wachten tot de leerling hem bloedig van zijn baard verloste. Het sprookje van het goud was doorgedrongen. De Brabanders roken nog intensiever dan de Joden geld dat op reis was. Toen hij weer beneden kwam, vroeg de maerte bijna angstig of de gast tevreden was. Dat was hij. De barbier kreeg van haar twee kroezen bier voor één geld; de blauwzwarte glans op Mocatta’s wangen was haar dat dubbele waard.
Twee dagen bleef hij. In die tijd had hij zijn stijl herwonnen, de verzorgde autoritaire Iberische koopman.
De avond vóór zijn vertrek sloop zij naar zijn kamer, het hoofd vol verzonnen redenen om daar te kunnen zijn.
i37