zien. Eens in haar leven wat anders dan die Brabantse, blonde, zwetende waard met een buik als een ton en altijd stinkend naar bier. Een donkere man, bijna zwarte ogen, een blauwige tint over de wangen wanneer hij net geschoren was. En slank moest hij zijn! Gespierd en lenig. Dat had zij zich reeds gefantaseerd toen zij het drogende lijfgoed in de grote waskeuken bekeken had. Gisterenavond, en die morgen heel vroeg.
Zij droeg nu dat gestreken lijfgoed op beide vooruitgestrekte armen alsof zij de sleutels van de stad kwam aanbieden. En stond voor het bed met haar Vlaamse levensdrift. Zij stamde uit Brugge.
Zij keek, zoals een ontvlamde vrouw kan kijken. De ogen, ja, die waren zoals zij jaren gedroomd had, de wenkbrauwen waren zo heerlijk anders dan die bijna witte varkensharen van de waard. Het kneveltje - zij rilde verlangend naar een zoen. Maar die baardstoppels, nee, zij verstoordenhet blauwige van haar beeld.
Hij lag slechts bedekt door het laken. Ja, hij was slank. Hij was gespierd, bijzonder. Dat zag zij aan zijn schouders en aan de armen, die bloot op het blanke linnen waren uitgestrekt.
Here, waarom is het dag? Here, waarom is het geen nacht? Waarom is er zoveel volk in huis. Nacht - en alleen met die man in huis. Dan één ruk aan het beddegoed en naast hem glijden. Zich overgeven en genomen worden en voorgoed die waard vergeten. Die weinig betaalde en zich grootmoedig voelde, omdat hij brood en dak en zo nu en dan wat kleding en opschik gaf. En als opperste zaligheid in zijn ogen zich zelf wegschonk, vooral als hij gedronken had, na met rijke kooplieden om niet te
136