Een vermoeide ruiter. Een uitgeput paard. Door water bedorven tuig en zadel, vervuilde kleding. Ongeschoren als een bedelaar, donkere kringen onder de ogen. Zo trok Mocatta Hasselt binnen.
Hij zocht een herberg; de poortwacht wees de weg nadat een goudstuk het wantrouwen had gesmoord.
Hij vond een herberg op het marktplein. Eerst goud. Daarop werd de waard gedienstig. Weer goud. Het dienvolk werd begerig. Nog meer goud. Zij werden kruiperig-
Het paard werd gedrenkt, met haver gevoed, daarna geroskamd en gestald.
Josua Mocatta bestelde kommen warm water, waste zijn lichaam. Daarna begaf hij zich te bed. Naakt. De waard bracht hem een warme maaltijd, liggend at hij ervan, glimlachend om de Romeinse tafelgewoonte, die hij voor het eerst in zijn leven volgde.
Twee dienstmeisjes kwamen, keken schichtig naar de knappe donkere kerel in het bed, namen toen snel zijn vuile kleding om te wassen en te strijken. En daarbij met woorden om hem vochten. Toen sliep hij in. Alle weerstand was gebroken.
Hij ontwaakte laat. Acht uur in de morgen. Hij trok aan het bellekoord. De maerte verscheen. Mollig blond, goedlachs, hittig denkend. Want de meiden hadden verteld dat die knappe reiziger niets kon aanhebben: al zijn kleren hadden zij toch meegenomen? Dat wilde die maerte