kandij, die het gretig opknabbelde. Ook de Arabische wijnzakken hadden het water weerstaan. Hij dronk wat en voelde zich innerlijk warm worden, maar des te meer bespeurde hij de nachtkoude op het naakte lichaam. Hij bond zijn paard aan een jong boompje, ontzadelde het, streelde en klopte de hals. Toen legde hij zich op de zandige grond. Slapen kon hij niet. Het water had alle vermoeidheid uit zijn lichaam verjaagd. Zijn gedachten concentreerden zich weer, terwijl hij naar de hemel keek, naar het spel van wolken en maan.
... Kandij. Waar haalden die Venetianen dat toch vandaan? Waarom waren de Denen er toch zo verzot op, zodat zij volle koggeladingen kochten? Kandij bij het vlees, kandij bij de vis ... nu dat gaat nog: Moeder Genendel stoofde de snoek ook zoet. Wacht eens, Gabriël, je moet op zoek naar de bron van de kandij. Daar zit winst in de kandij. En de wijn is ook goed gebleven in die Arabische wijnzakken. Zouden die iets kunnen zijn voor de legers? Kleine wijnzakken voor de huurlingen wanneer zij op patrouille zijn of ononderbroken moeten doormarcheren en geen tijd hebben voor de zoetelaars en de marketentsters. Huurlingen, legers ... vader had veel aan de intendance geleverd. Van alles: paarden, wagens, drank, wapens. Waarom leverde vader? Zo hielp hij toch het gebod overtreden: Gij zult niet doden. Waarom deed vader dat toch?
Jehoshua Mocatta tuurde naar de hemel. Waarom? ... Toen dommelde hij wat. Koude voelde hij niet meer; koude voelt ook de bevriezende mens niet meer. Dat was de laatste gedachte voor hij in diepe slaap viel.
130