naar de hemel. Er waren wolken die zachtjes voortdreven en soms de maan verduisterden. Daar was de oever, zacht glooiend. Het paard, met halsklopjes aanmoedigend, dreef hij het water in. Opeens stond het stil, durfde niet verder, schudde heftig het hoofd op en neer. Mocatta luisterde scherp en gespannen. In de verte blaften honden. Dus toch! Jachthonden? Bloedhonden? Hij liet zich uit het zadel glijden, voelde het koude water tot zijn liezen. Hij ontdeed zich van zijn mantel, propte die snel in een zadeltas. Ontgespte zijn rapier en hing de gordelriem rond zijn hals. Zo kon hij nog zwemmen. Toen deed hij een paar voorzichtige stappen, voelde dat de bedding maar weinig glooide. Het paard volgde het zachte trekken aan de teugels.
Man en paard. De hoofden naast elkander. Het paard zwom. Mocatta’s arm was rond de hals van het dier, zijn benen bewogen instinctmatig, hij was een geoefend zwemmer. Hun bewegingen maakten bijna geen geluid, het paard snoof regelmatig, Mocatta’s adem was nauwelijks hoorbaar, nu en dan spuwde hij wat water terug.
Hij hoorde de honden verwoed blaffen. Toen schoof er een wolk tussen de maan en de aarde. Het werd niet donker, maar in de diepe schemer kon men hem niet meer zien. En zij bereikten de tegenoever.
Hij ontkleedde zich. Wrong zijn kleren uit, liet het water weglopen uit zijn ruiterlaarzen, legde de kledingstukken gespreid op de grond om te drogen. Hij inspecteerde de zadeltassen. Het brood was doorweekt, het gerookte vlees rook lichtelijk zuur, de hardgekookte eieren waren nog heel. De dichtgebonden varkensblazen hadden niet geleden. Zij bevatten boter, kaas en kandij. Hij opende een blaas, gaf het paard een paar stukken
129