De zon wekte hem. Hij rekte zich, sprong op. Liep wat op en neer, draafde wat rond, de stijfheid verliet zijn lichaam, de nog prille zon koesterde hem. Hij betastte zich. Bekeek met trots zijn borst, zijn buik, benen en armen. De huid was lichtbruin, glad, vettig. De beharing was mannelijk, zijn spieren uitzonderlijk ontwikkeld. Hij glimlachte voldaan. Bijna nooit zag men zich naakt. Dat deed men niet. En hij lachte overmoedig en bevrijdend, toen hij dacht aan de vrouwen die kreunend van behagen zich tegen dat krachtige lichaam hadden gevlijd en om zijn liefkozingen hadden gebedeld. Opeens volgde hij een opwelling. Hij bond zijn paard los, sprong op de rug en draafde naakt rond. Zó moet het eens geweest zijn. Een man, een paard, de zon, de verre horizon. De vrijheid van een menselijk wezen zonder heren en knechten, zonder boeken en geboden, zonder bezit, zonder een mist van haat om zich heen, zonder gedachte aan lijfsbehoud en vrees. Zonder de geest van Torquemada, zonder de kronieken van Nehemia bar Simeon. Zonder! Alleen maar draven in de Schepping! Alleen maar dartelen als een dier onder de glimlach van God, de Almachtige.