Twee dagen later. Ook vlak vóór poortsluiting wilde Josua Mocatta de stad verlaten. De poortwachters waren niet begerig en joviaal. Streng gelastten zij hem af te stijgen en in het wachtlokaal te komen. Mocatta gehoorzaamde. In het wachtlokaal was een monnik.
Hij monsterde de koopman. Hij kwam vlak bij hem staan. Beval hem zijn schoudermantel af te leggen. Beval hem zijn wambuis te ontknopen. Bekeek het vuile hemd. Bekeek aandachtig Mocatta’s ongeschoren wangen. Mocatta glimlachte hoogmoedig en zei:
‘Uw eerwaarde wenst dat ik mij ontkleed?’
De monnik aarzelde lang voordat hij antwoordde:
‘Neen. Het is vrijdagavond. Toch rijdt u de Sabbat in. U hebt u niet geschoren en hebt geen schoon linnengoed aangetrokkén. En u hebt niet geaarzeld mij uw onbesneden schaamte te tonen. In uw hart kan ik, jammer genoeg, niet kijken.’
‘Neen, eerwaarde; en mijn wil om zo nodig te sterven is sterker dan de pijnigingen van de tortuurmeester.’
‘Zijt gij een koopman, senhor Josua Mocatta?’
‘Jawel, eerwaarde.’
‘Bourgondië, Arragon, Castilië hebben veel geld en goede verbindingen nodig, senhor.’
‘Ik zal trouw blijven aan de landsheer, eerwaarde.’
‘En aan Gods Zoon, Jezus Christus?’
‘Op mijn eigen manier, zoals mijn hart mij dat zal ingeven.’
De monnik wendde zijn blik af, drentelde wat door het wachtlokaal.
‘U kunt vertrekken, senhor Mocatta. Ik heb gefaald omdat ik twijfelde. Misschien had u geluk.’
‘Of de bescherming des Heren,’ antwoordde Mocatta.
125