‘Senhor, wilt u mi j vertellen wie u bent?’
‘U vermoedt iets, homan?’
‘Ja, heer Mocatta, dat u de zoon bent van heer Ido Mo-catta, die mijn vader loskocht en mijn grootvader behoedt voor armoe op zijn oude dag.’
‘Ik ben die zoon, homan.’
Toen greep de homan de zoom van Josua Mocatta’s schoudermantel en kuste die.
‘Dank u, heer Mocatta. Uw vaders goedheid en mijn grootvaders dankbaarheid hebben een mens en een man van mij gemaakt.’
Beiden zwegen. Josua Mocatta tastte in de geldtas aan zijn gordelriem, reikte de homan de vier sleutels van de geldkisten. Toen onderbrak hij het zwijgen.
‘Homan, neem dit Spaanse boek ook mee naar Antwerpen. Het is mij zeer dierbaar.’
De homan keek hem diep in de ogen, glimlachte hem toe, bijna onmerkbaar knikkend. Toen snelde hij de kamer uit. Josua Mocatta stond alleen in de schemer.
Zij ontmoetten elkaar niet meer in Maastricht. De homan en zijn kleine escorte verlieten de volgende avond, juist vóór poortsluiting, de stad. Samen met een vrachtrijder, wiens huifkar was afgeladen met balen laken, ploegen, zeisen en spaden, vaatjes bier en gelooide huiden. De poortwachters keken nauwelijks. Zij hadden begerig plezier in de dronken homan, die overvloedig geld aan hen uitdeelde . .. ‘Het moet op, mannen ... zuipen maar ... ik haal weer nieuw ... ik heb mij verhuurd aan de Franse koning ... zijn maarschalk betaalt veel... zuipen, kerels .. .het kan bijna niet op.’
124