De monnik sloeg een kruis, keek weer diep in de ogen vanMocatta.
‘Ga met Jezus Christus, senhor. Goede reis.’
De poortwachters opendende deurvanhetwachtlokaal, hielpen hem te paard, sloten de poort achter hem.
Josua Mocatta reed de donkere nacht in en voelde Gods sterke hand en uitgestrekte arm...
... Waarom rijd ik hier? Alleen? Zonder escorte? Zonder reisfactoor? Zonder zelfs maar één commies? Waarom zonder kamerdienaar, die mij altijd vergezelt wanneer ik alleen reis? Waarom zond ik Gabriël en al mijn vaste knechten vooruit? Er is toch niets bijzonders te doen thuis? En als er onverwacht koggen binnenlopen, zal moeder Genendel zeker weer los volk huren. Ze komen graag. Wij betalen goed. Wij betalen soms overdreven. Waarom doen wij dat? Waarom zijn wij zo menselijk dat wij voortdurend aanmerkingen en klachten moeten aanhoren van de provoosten? Laten zij. Het gaat ons goed: Leef en laat leven! Laat leven! Wie laat ons toch altijd in onrust leven? In angst voor verraad en onraad, iedere dag de schout of zijn dienaren verwachtend. Met een monnik van het Heilig Officie van de Inquisitie. Hoe zal mijn monnik eruit zien? Zo onervaren en rechtschapen als die uit Maastricht? Mag hij rechtschapen zijn? Dat ligt aan de bisschop. Mag de bisschop rechtschapen zijn? Mag een kardinaal rechtschapen zijn tegenover ons, Marranos? Zou de Paus zich met ons bezighouden? Zou de Heilige Vader wel eens over ons nadenken? Over onze strijd om lijfsbehoud en ons hart, dat ons trekt naar onze geschiedenis, naar Abraham, Isaac en Jacob?Naar de stammoeders en de profeten? Naar ons gevoel, dat ons
126