heb het leven lief. Dat zal u verwonderen, senhor, maar heidenen kennen ook het onderscheid tussen goed en kwaad. Ik hoop dat u mij niet verraden zult.’
‘Homan, men verraadt het innerlijk van een mens niet.’
‘Dank u, senhor. En ik zal u ook niet verraden. Kan ik iets voor u doen?’
‘Nu ik uw innerlijk ken ... ja! Tegenover u wil ik mijn Spaanse trots verloochenen. Breng de twee lastpaarden met mijn geld en schuldbrieven naar Antwerpen.’
‘Had u ze ter wille van uw trots willen inzetten om te verspelen, heer Mocatta?’
‘Ja. Ik had zonder escorte met de lastpaarden willen rijden, een bijna zekere dood, nu de weg zo wordt afgestroopt door die van Gelre.’
Verbaasd keek de homan op.
‘Wistuiets, heer Mocatta?’
‘Ja. Met en zonder escorte zal men mi j aanvallen om het geld. Sedert gisteren. Verdubbel uw escorte en breng mijn geld in veiligheid. Ik rijd alleen naar huis. Misschien glip ik erdoor zonder die uitdagende geldkisten op de pakpaarden.’
‘Ik zal uw opdracht uitvoeren, senhor. De geldkisten blijven in Maastricht als lokaas voor die van Gelre ... maar léég. Verstopt komt uw bezit thuis. Niet over land. De rivieren zijn veilig en van Rotterdam tot Antwerpen reken ik op de zegen van de Almachtige tegenover de Duinkerker kapers.’
‘Erkent een heiden de Almachtige, homan?’ Mocatta glimlachte nu weer een beetje spottend.
‘Senhor, de Almachtige is er toch voor ieder levend wezen?’
‘En ook voor het stof en het gesteente, homan.’
123