‘Mijn ooms willen de hoeve voor hun zoons, tenminste, als de nieuwe pachtheer hun deze toestaat. En ik voel niets voor het boerenleven.’
‘Waarom jokt u, homan? Waarom schaamt u zich de kleinzoon te zijn van die oude boer? Was het zo pijnlijk de zoon te zijn van de man die door deze heer Ido Mocat-ta werd losgekocht van de galeien? Was uw vader om méér vastgeklonken aan de galeienbank?’
De homan boog diep het hoofd, sloeg de handen voor de ogen, toen hij antwoordde:
‘Ik loog. Omdat ik mij schaam. Mijn vader doodde Joden. Als landsknecht van keizer Maximiliaan. Maar daarom werd hij niet verbannen naar de galeien. Hij doodde een vrouw die aan de condottiere toebehoorde. Dronken en in drift.’
‘U wilt boeten voor uw vader, homan?’
‘Ja.’ Het klonk gefluisterd.
‘Bent u een christen, homan?’
‘Neen.’
‘Ubent?’
‘Een mens. Een huurling om de vijanden van mijn broodheer te bevechten. Niet om onschuldige mensen te slachten.’
‘Gelooft u dat de Joden onschuldig zijn, homan?’
‘Ik weet het niet, senhor. Maar de nulevende Jodenkunnen niet aansprakelijk zijn voor de dood van Jezus Christus. Vijftienhonderd jaar mag een bloedwraak niet duren.’
‘U bent tóch een christen, homan.’
‘Neen. Zijn leer is mij vreemd. Ik dood om geld. Ik ben een heiden, maar in naam een christen, omdat men iets moet zijn. De Kerk is machtig en onmeedogend en ik
122