zonder pacht op de hoeve mocht blijven. En dat na zijn dood zijn vrouw een huisje in Antwerpen zou krijgen in een mooi en rustig hofje en een daggeld tot aan haar dood.’
Josua Mocatta deed een paar stappen naar de donkere hoek van de kamer. De stijging van het bloed was omgeslagen in een huiverige kilte; hij voelde dat hij lijkbleek geworden was ...
... Die man, die homan, was dus een kleinzoon van de boer op wiens hoeve de Marranos minjan hielden. In wiens boerenwoning ik barmitswa geworden ben. Deze landsknecht toonde zijn dankbaarheid door mij met zijn verholen woorden te waarschuwen voor de Inquisitie. Geld is macht. Opnieuw bleek dat nu; na 3 o jaar werkte de macht van vaders geld om mij te beschermen. Hij kocht de hoeve. Hij kocht daarmee de trouw van de boer, en nu hij oud geworden is, de trouw van zijn kleinzoon. Vader kocht de bescherming van mijn leven jaren terug, zonder dat te beseffen. Geld zal altijd ons schild zijn. Ik heb zijn woorden in mijn denkwereld vastgenageld. Ik zal de Fug-gers volgen. Nehemia heeft gelijk. Hoewel... hij zoekt mijngeld voor de Ashkenaziem... ons, Sefardiem, haathij. Een ingeboren haat. Waarom? Is er dan geen werkelijk volk? Bestaan er dan slechts christengemeenten en kehil-loth? Naast elkaar liggend als een hoop keien zonder gemeenschap? De homan is dankbaar. Ik wil meer weten...
‘Leven al de zonen van uw grootvader nog, homan?’
‘Mijn vader is dood, senhor.’
‘Waarom bent u geen boer geworden, homan?’
121