Maar niet met geld; u bent mij niets schuldig.’
Mocatta nam de brief van de tafel, het geld liet hij liggen.
De bode wees ernaar.
‘Het bodeloon, koopman.’
‘Besteed dat voor de armen van uw parochie, bode.’
Mocatta stapte op straat. Nog eenmaal keken zij elkaar aan. Een blik van op-leven-en-dood. Toen wierp Mocatta het rapier vlak langs de bode naar binnen. En ging. Opgericht, rustig, onbevreesd, volgens Spaanse gewoonte...
Mocatta bleef nog wat langer in Maastricht. De homan had hem medegedeeld dat de mannen nog niet geschikt waren om te reizen. De volgende avond kwam hij weer in de kamer van de koopman. De homan maakte zijn gebruikelijke korte buiging.
‘Het spijt mij, koopman, zij willen nog niet rijden. De wijven en het bier, dat is het.’
Mocatta keek hem aandachtig aan. Bemerkte dat de houding van de homan iets veranderd was. Niet meer de bravoure van een huurling, niet meer het overmoedige, zelfverzekerde van de huurbare doder. De koopman voelde dat deze man iets wilde zeggen. Tegen zijn aard, of naar zijn aard.
‘Homan, de vrouwen en het bier zijn het niet. Meer loon?’ begon Mocatta bruusk.
‘Senhor, zij willen de verbintenis opzeggen. Zij willen toch weer in het leger van hertog Filips.’
‘Waarom? Homan, dat kan zo niet blijven. In iedere stad moeilijkheden en onderhandelen met de huurlingen.’
Mocatta voelde zich driftig worden. De homan ant-