was voorbij en nu het geweken was, kwam de levenslust des te heviger omhoog. Hij voelde zich opgewekt en, vreemd genoeg, opeens bijzonder hongerig.
‘Hoeveel geld? Dat weet ik niet,’ antwoordde de bode onthutst.
‘Vraag het dan aan uw gezellen en laat mij nu gaan.’
‘Ik laat u niet gaan. Ik ben nog niet uitgesproken, koopman.’
De bode had zich hersteld. Het rapier hield hij weer dreigend klaar om te steken.
‘Ik ben uitgesproken, bode. Ik. Hoeveel? Een wissel of goud kunt u ontvangen in mijn herberg. En nu: opzij.’
Mocatta’s gezicht werd hard. De donkere ogen vonkten, de mond vast gesloten, de kaken opeengeklemd. Het kneveltje grimmig recht. Aan de slapen klopte een ader. De bode, blond, de ogen staalgrijs, de mond een streep, het slanke lijf recht en soepel als een rapier. Zo stonden zij enkele minuten. Plotseling greep Mocatta een schemel, slingerde die naar zijn tegenstander, trof hem tegen het hoofd. Het rapier kletterde op de plavuizen. De bode viel. Mocatta greep het wapen, ontgrendelde de deur. Toen knielde hij naast de bode. De man had een bloedende wond. Maar vrij snel kwam hij bij en keek zijn vijand aan. Mocatta zei:
‘Kunt u opstaan?’
‘Neen, nog even wat bij komen.’
‘Goed, ik zal wachten tot u mansweerd bent.’
Een korte tijd spraken zij niet meer. De bode probeerde overeind te komen. Mocatta hielp hem. Toen hij stond wreef hij zich vermoeid over de ogen. Ging naar de deur. Opende.
‘U hebt uw vrijheid en uw leven bevochten, koopman.