voor mij de pijnbank, en ik weet dat ik niet sterk genoeg ben om die te doorstaan. Zij zullen heel veel uit mij persen en velen zullen dan moeten sterven. Het spijt mij, maar één leven zal moeten worden geofferd om het andere te redden. Bent u bereid om te sterven? Hebt u nog iets te vragen? Of kan ik na uw dood iets voor u doen? Uw vrouw? Uw moeder?’
‘Bode, u bent laf. Ik neem aan dat u behoort tot de Gel-rese adel, die vecht tegen Bourgondië. Ik vraag u: doodt een edelman een ongewapende koopman?’
Josua Mocatta was tot het uiterste gespannen, maar bang werd hij niet. Het schoot in zijn brein, dat hij vlak voor de dood stond en bemerkte dat het hem niets deed. Hij zou de dood aanvaarden. Opeens betekende het Leven niets meer voor hem. Waarom zou het? Geen vrouw, geen kind. Geen bloedverwant meer. Alleen Genendel, zijn stiefmoeder. Een vreemde. En zijn factorij in Antwerpen. Stof. Er was geen onzichtbare draad van zijn hart tot een ander hart, van zijn gedachten tot een ander brein. Alleen. Alleen op de wereld. Niets bond. Een mens kon onbezorgd gaan.
‘Ik ben niet vrij voor een tweegevecht, hoewel mijn eer het gebiedt,’ antwoordde de bode somber.
‘Toch wil ik vechten voor mijn leven. Geef mij dat andere rapier daar aan de muur,’ beval Mocatta.
‘Neen, ik ben nog te belangrijk om gewond te raken of te sterven,’ zei de bode.
‘Goed, dan zal ik vechten met het wapen waarmee ik vertrouwd ben. Geld. Hoeveel moet ik betalen voor mijn leven in de kas van het verzet?’
Verbaasd keek de bode hem aan. Hij liet onwillekeurig zijn rapier zakken. Mocatta zuchtte. Het levensgevaar
XI7