keerde zich om, zodat Mocatta niet meer in zijn gezicht kon kijken.
‘Bode,’ riep Mocatta.
Er kwam geen antwoord.
‘Bode, ik zal u mijn brief toevertrouwen. Hij zal veilig aankomen. Maar ik raad u aan wat geld mee te nemen en u daarvan te laten beroven, wanneer dat te pas komt. Er zouden patrouilles van de Bourgondische baljuw kunnen zijn, die meer belang bij uw brieven hebben dan bij uw geld. Geld leidt soms ook de mannen van de baljuw af. De bode zijn loon. Hier is het.’
Mocatta legde de brief en het gevraagde loon op de zware blankeiken Mechelse tafel. De bode nam het niet op, keek Mocatta nu weer dreigend in de ogen.
‘Laten wij open zijn, koopman. Wie bent u? Wie ik ben weet u door het woord WIJ dat mij ontviel.’
‘Wees gerust bode. Ik ben Josua Mocatta, een Iberisch koopman van de kolonie Antwerpen. Ik heb geen belang te weten dat u een lid bent van het Gelrese verzet.’
‘Iberisch koopman,’ herhaalde de bode langzaam, ‘Jo-hanna van Castilië is de vrouw van de hertog. Bourgondië wordt Spaanser en Spaanser. En door hertog Filips en zijn vrouw zijn wij dus vijanden van Arragon en Castilië en vanzelfsprekend van zijn onderdanen.’
‘Bode, ik zal mijn brief terugnemen. Behoud uw loon,’ zei Mocatta, zo beheerst mogelijk. Hij deed een stap naar de tafel. Maar katachtig vlug schoof de bode de grendel op de straatdeur, pakte een rapier van het muurrek. Trok het, stond gespannen en dreigend op stootsafstand en zei:
‘Heer Josua Mocatta, mijn geklets heeft mij verraden. Eén woord over mij aan de schout of de baljuw betekent