Gabtiël stond etbij met gebogen hoofd, staarde in het water van de Rijn. Hij was niet bang, hij was niet laf. Maar de verantwoording opeens voor al die zaken durfde hij nauwelijks aan. Hij zei:
‘Laat mij beginnen met de stokvis, senhor.’
‘Op één voorwaarde.’
‘Kan ik die aan, Senhor?’
‘Ja ... breng mij naar een taveerne waar zij gestoofde karper kunnen opdienen. Heerlijke karper, zoals moeder Genendel ze stooft.’
‘Gefillte Fisch ... tóch REBMocatta! Tóch!!’
‘Ja .. .ja .. .toch een rebbe. Het zijn niet alleen de boeken en de gedachten die een Jood maken, Reb Baëna.’
Toen keerden zij om, liepen een steeg in naar het midden van de stad. Glunderend. Geen mannen meer. Opgeschoten jongens.
Een rot bereden zwaardvechters. Een homan. Een commies. Dat was het escorte. Twee pakpaarden, twee pakzadels, twee kleine geldkisten met goudstukken, thalers, paarlen, diamant. En wissels van de Leipziger-Messe-gangers, ter betaling van de verkochte handelstrein. Ook wissels getrokken op Joden in Oostenrijk, Tirol, Lombardije, Milaan, Genua en Parijs. Zo trok Josua Mocatta huiswaarts. Door Rijnland, tot de Maas. Maastricht.
Rust.
Twee dagen, omdat de paarden waren uitgeput. Omdat het escorte naar een vrouw verlangde en zuipen wilde. Limburgse vrouwen en Limburgs bier. Dat wilden zij.
Josua Mocatta ontbood de homan in zijn herberg. Deze