vorst, geen mens ter wereld kan dat veranderen. Jeho-shua vanNazareth, U was een Jood. U was een goed mens. U was een kind van Ha-Kadosh-baroech-hoe, maar zij lasterden de Almachtige. De Bovenmenselijke, Die alles geschapen heeft: hemel, aarde, mens, dier en gewas, heeft geen bruid nodig. Hij wenste dat U komen zoudt en U was er op datzelfde ogenblik in de baarmoeder van een eenvoudige vrouw. Beladen met Zijn gedachten, voorzien van Zijn woord. God heeft geduld. Maar geen eeuwig geduld. Hij zal dat tonen in een ver verwijderd uur.
Shaddaï, heb nog geduld!
Shaddaï, ontneem ons onze instincten!
Shaddaï, hervorm, herschep ons innerlijk tot datgene waarvan Jehoshua van Nazareth ons vertellen moest, volgens Zijn gave en naar Uw opdracht.
Shaddaï, erbarm U onzer! Verwijder ons niet uit Uw schepping. Geef ons fatsoen, geef ons een ziel...
Hij stond weer op het plein. Alleen. Verward. Achter hem de Dom. En opeens schoot het in hem omhoog, de gedachte die dikwijls plotseling in hem was opgekomen wanneer hij zich in de menigte bevond: je behoort niet bij hen, je behoort bij anderen. Bij wie? En als immer bij zulk een gedachte kwam er geen antwoord. Het was alsof de stilte in zijn innerlijk spotte.
Hij wandelde naar de herberg der Portugezen, kwam in een steeg, een drukke steeg met huisvrouwen op een stoel op het keienplaveisel, met spelende kinderen, met schuwe mannen. Men ging eerbiedig opzij voor de rijke en kleurig geklede Portugees. In het midden van de steeg was het alsof iets hem dwong opzij te kijken. Hij deed het.
107